“Daar kunnen we van leren - lessons to learn,” zegt hij zonder blikken of blozen tegen zijn zoontje.

Jong:
“Ik heb nu al een beroepsgeheim,” zegt hij tegen zijn vriend.
“Wat dan?” vraagt die.
Ze moeten samen lachen.

Niet te geloven:
ze houdt haar buik in
als ze langs me loopt.

Gezellig is het op het terras,
iedereen is met z’n drankje, telefoon of
met de wespen bezig.

Benen heeft ze, die zijn
gemaakt om toe te schieten.
Haar kind zal niks overkomen.

Nu hij niet meer rookt,
komt hij helemaal niet meer buiten.

Onmogelijk je voor te stellen
hoe mooi ze
vroeger was.
Hoe ik ook mijn best doe.

Middagpauze:
donkere pakken
met gekleurde broodtrommels.

Ze lopen met badges,
anders zijn ze niet te herkennen
en weten ze niet waar ze zijn.

Tafelnummer 91 -
zoveel tafels hebben ze
helemaal niet.

Zo stil,
de koffie smaakt ernaar.

Zo dik.
Zo iemand moet eigenlijk
een alarm hebben
als ie achteruit loopt.

Toen hij een kassa
in huis haalde,
werd het haar duidelijk:
hij ging alles verkopen.

Zoals je een dood vogeltje
met je voet in de goot schuift,
zo duwde hij zijn hompje voet opzij.

Zijn glimlach is
te groot voor zijn gezicht.
‘t Is geen gezicht.

Vandaag niet veel te zien
langs de snelweg:
een Noorse trui, een dode eend
en een pantoffel.

Op een touringcar:
‘Wintersport met Feestgarantie’ -
zielsblij dat ik niet mee hoef.

Kraaien die hun jongen gehaktstaaf voeren.

Op de Servaasbrug:
‘Nou wil ik ook de Rijn wel eens in het echt zien’.

Muziek die tijden geleden
al weemoedig was,
nu weer draaien.

Toen we verhuisden,
het huis helemaal leeg en schoon was,
we voor de laatste keer die voordeur uit zouden gaan,
knielde mijn vader midden in de kamer
en kuste hij de vloer.

Een kind dat jengelt
als een kapot betonmolentje,
dat je niet meer krijgt uitgezet.
De moeder loopt weg.

Al te lang
geen vogel meer
in mijn hand gehad.

In een keukenla
haar fietscomputer.
Hij staat op 7,9 kilometer.
Die reed ze meer dan 10 jaar geleden
in 24 minuten.

Een geel berkenblad
valt
in mijn glas
rode wijn.

Hij leest Potter
en valt steeds in slaap.
Als we afremmen voor Amsterdam Centraal
spuit hij hevig Axe onder zijn oksels.

Weer waargenomen:
een vrouwengezicht
is beter toegerust
om minachting uit te drukken
dan een mannensmoel.

Terras:
ze zitten
en kijken
zoals thuis
voor de tv
- alleen heeft ze dan
hopelijk haar tas
niet op schoot.

De schok
die groter is
als ik iemand denk te zien
die dood is,
dan toen ik hoorde
dat ze was gestorven.

Inderdaad
de toekomst
ligt voor je,
niet achter je,
dat heet ‘verleden’.

Naast me op het terras
zit iemand d’r relatie kapot te praten.
Haar vriendin helpt.

Hoe voorzichtig hij zijn vriendin de trap af  begeleidt,
met zijn andere arm houdt hij iedereen op afstand,
de veiligheidsman van zijn eigen prinses.

‘Atheïst’ op zijn zwarte T-shirt,
daarboven zijn lijkbleke hoofd.
Verder ziet hij er ook
door god verlaten uit.
Waarnemingen
Hij telde zelfs de schaapjes
voor haar
als ze niet kon slapen -
zo was hij.
Hij telde wel heel langzaam -
zo was hij ook.

Ze willen er sterven
en begraven worden -
in hun lieflijke dorpje.
Ik zou er dood gaan.

16.000 Kilometer heeft hij op de teller van zijn scootmobiel. ‘In vier jaar gelopen,’ zegt hij trots.

‘Dat is ‘t verschil tussen jou en mij: ik zeg het hem recht in zijn gezicht en jij zeikt er alleen maar over tegen mij.’
(Zegt hij hem recht voor z’n  raap. ‘Ik zeg wel niks meer,’ mompelt hij terug.)

Ik heb er nu al een neus voor, ik haal ze er nu al tussenuit, de anderen die net als ik hun vrijreizenkaartje van de bijna afgelopen periode nog moeten opmaken.

Zo’n man die zijn haren niet meer kamt ‘s morgens. Je kunt ‘s middags nog zien dat hij op zijn linkerzij heeft geslapen.
Hoe lang is hij nou getrouwd?

Die liggen wel mooi,
die handen,
zo op mijn schoot,
zag hij.
Zo mogen ze ook wel
in mijn kist, dacht hij.

Ach zo’n lente-uitje weet echt niet dat het groeit om in stukjes te worden gesneden, te worden geroosterd en opgegeten. Dan zag het er heus wel anders uit.

Soms kan ik zo heerlijk en met plezier voor mezelf koken, dek ik de tafel mooi, een kaarsje en een muziekje aan - net of ik voor iemand anders kook.

Een jas die ik lang niet meer aan had. Mijn handen moeten weer steeds opnieuw de zakken vinden.

Voetje voor voetje loopt ze; haar tekkel pootje voor pootje voor pootje voor pootje nog langzamer achter haar aan. Hij zonder rollator.

Als hij ergens naar gaat kijken, gaan automatisch zijn handen op zijn rug.

Bij het openen van een fles wijn ruik ik soms nog steeds de pastoor, die ik diende tijdens de mis.

De jongen loopt naast de kolossale graafmachine alsof hij hem zojuist (hij was vies, maar leefde nog) heeft opgegraven en hem nu naar het museum begeleidt.

Mannenmerels maken ruzie, mensen lopen een speurtocht, het gras groeit onder de keukendeur naar binnen. De lente kan niet ver meer zijn.

Waarom vragen ze wel steeds hoe oud m’n hond is en niet hoe oud ik ben?

Hij doet de garagedeur open, vervolgens de achterklep van de auto, die trekt hij dan handmatig uit de garage, dan sluit hij de achterklep en de garagedeur, stapt in en rijdt weg.

‘Liefje, wil je hier zitten?’
vraagt ze aan een even oude, onbekende vrouw.

Gezien (wat ik al dacht):
de postbode staat, terwijl hij een banaan eet, rustig een kaart te lezen.

Op een graf:
“Uw zijn was genoeg”.

Als twee mensen tegelijk dezelfde tekst lezen, moet dat kriebelen. Hoe meer mensen tegelijk lezen, hoe harder de regels giechelen. En toch blijven ze leesbaar.

Flesjes
die door hun etiketten
glijden.

Elburg:
op de voorplecht meestal de fietsen
en/of de vrouw
en/of de hond.

Warm:
fruitvliegjes in de koelkast.

Nooit
lippenstift op mijn glazen -
zulke vrienden heb ik.

Een bord patat leeg eten,
alsof je mikado speelt.
Ik ben regelmatig af,
maar niemand die het ziet.

“Weet je wat je nooit zult weten?”

“Weet je wat je nooit zult weten?”

Weet je wat je …?”

Dan geeft hij het op,
hij komt er niet tussen.
“… nooit zult weten”, pruttelt hij nog na.

Geduldig legt ze haar 3-jarig zoontje uit hoe je pint.
De rij boodschappenkarretjes achter haar groeit en gloeit.
Wat kunnen we inbrengen
tegen zo’n liefdevolle opvoeding?

Heimelijke trots:
al twee uur op en in de weer
als bij de buren de wekker afloopt.

Op een crossmotor
zonder helm
tegen de zon in
over het land
achter een meid aan.

‘Ken je Internet niet?’
vraagt hij.
Ze aarzelt.
‘Nee,’ zegt ze dan,
ze kent haar niet.